Historische Vereniging Voorburg

Familie Jacob Zwarenstein

Prinses Mariannelaan 75

 

Naam

Geb.pl.

Geb.dat.

Overl.

Overl.dat.

Lftd

Jacob Zwarenstein

Den Haag

23-7-1886

Auschwitz

29-10-42

56

Suze Zwarenstein-de Leeuw

Den Haag

1-2-1899

Sobibor

30-04-43

44

Lion Zwarenstein

Den Haag

30-7-1892

Sobibor

30-04-43

50

Jacob Zwarenstein was hoofdsecretaris bij de P.T.T. Suze Zwarenstein-de Leeuw, de echtgenote van Jacob Zwarenstein, werkte als schrijver op een ministerie.

Lion is een jongere broer van Jacob. Volgens de huwelijksakte was hij procuratiehouder. Hij is in 1941, na een huwelijk met Henriette Hamme, van haar gescheiden en woonde in bij zijn broer en schoonzus.

Jacob is met zijn vrouw Suze op 4 oktober 1942 in Westerbork aangekomen. Drie weken later is Jacob op transport gesteld naar Auschwitz.  Het is niet duidelijk waarom zijn vrouw Suze – in tegenstelling tot wat gebruikelijk is -  is achtergebleven in Westerbork.

Lion is eerst is Vught geïnterneerd geweest voordat hij naar Westerbork is overgebracht. Op de registratiekaart van de Joodse Raad is vermeld dat hij – tegelijk met Suze  – weer in Westerbork is aangekomen op 22 april 1943. Voor Suze wachtte daar een kort verblijf in de strafbarak. Op 27 april 1943 zijn zowel Suze als Lion naar Sobibór gedeporteerd waar zij op 30 april 1943 zijn vermoord.

Jacob Zwarenstein is verwant aan Abraham Zwarenstein op Parkweg 228.

Familie Abraham Zwarenstein

Parkweg 228

 

Naam

Geb.pl.

Geb.dat.

Overl.

Overl.dat.

Lftd

Abraham Zwarenstein

Strijen

23-3-1889

Auschwitz

14-01-43

53

Rozetta Zwarenstein-den Hartogh

Rotterdam

22-6-1887

Auschwitz

14-01-43

55

Simon Zwarenstein

Rotterdam

17-6-1915

Sobibor

28-03-43

27

Abraham Zwarenstein was vertegenwoordiger. Het gezin woonde lang in Rotterdam. Vader en zoon waren daar beiden lid van voetbalclub Sparta. In oktober 1941 moesten ongeveer 80 leden van Sparta hun lidmaatschap opzeggen omdat zij Joods waren. Zo ook de Zwarensteins.

Abraham Zwarenstein en zijn vrouw Rozetta komen op 12 december 1942 in Westerbork terecht. Waarschijnlijk hebben ze enige tijd ondergedoken gezeten, want ze worden geplaatst in barak 66, één van de drie strafbakken in het kamp. Een week later ontvangt het paar nagekomen bagage, maar volgens hun registratiekaart ontbreekt een deken.

Op 11 januari 1943 vertrekt hun trein naar Auschwitz. Bij aankomst worden beiden direct vergast.

Zoon Simon Zwarenstein was kantoorbediende. Hij verbleef in Noord-Frankrijk. Simon is op 25 maart 1943 vanuit het Franse doorgangskamp Drancy bij Parijs naar Sobibor gedeporteerd. Van daaruit zijn niet alleen Franse Joden, maar ook buitenlandse, waaronder Nederlanders, gedeporteerd. Vermoedelijk heeft de 27-jarige Simon een vergeefse poging ondernomen via Frankrijk naar veiliger oorden te ontkomen.

Een oudere zus, Anna, in 1938 getrouwd met een schoenfabrikant uit Oisterwijk, heeft de oorlog overleefd. Haar familie plaatste een overlijdensbericht vanuit Israël. Waarschijnlijk is het paar na de oorlog daarheen geëmigreerd.

Het gezin van Abraham Zwarenstein is verwant aan het gezin van Jacob Zwarenstein aan de Prinses Mariannelaan 75.

Familie De Zoete

Westvlietweg 76, Leidschendam

 

Naam

Geb.pl.

Geb.dat.

Overl.

Overl.dat.

Lftd

Naatje de Zoete-de Zoete

Arnhem

28-7-1872

Sobibór

16-07-43

70

Naatje de Zoete is geboren in Arnhem, maar het gezin woonde destijds in Amsterdam. Zij was sinds 1922 weduwe van Mozes de Zoete, bij zijn overlijden adjunct-directeur telegrafie bij de PTT in Rotterdam.

Naatje en Mozes hadden drie kinderen, Regina, Hendrik en Martha.

Naatje verhuisde in 1926, enkele jaren na de dood van haar man Mozes, van Rotterdam naar Den Haag. Daar woonde ze op verschillende adressen. Uiteindelijk is zij verhuisd naar Leidschendam, Tedingerstraat 59.

Zoon Hendrik was chef-apotheker bij de GGD in Rotterdam. Hij woonde fraai aan de Kralingse Plaslaan in Rotterdam, maar omdat hij vanwege de anti-Joodse maatregelen begin 1941 was ontslagen, moest hij verhuizen naar een goedkopere woning. Die vond hij in de lente 1941 in Leidschendam, Westvlietweg 76.

Ook Naatje en haar dochter Martha waren gedwongen goedkoper te gaan wonen. Zij trokken in juni 1941 in bij Hendrik en zijn vrouw Fifi met hun drie kinderen. Ze betrokken de logeerkamer, waar de kinderen hen iedere avond welterusten kwamen wensen.

Martha werkte bij de Postcheque- en Girodienst. Zij is op haar 36e weduwe geworden, nadat haar man in september 1940 was overleden. Tot die tijd woonde het echtpaar in Den Haag.

Eind augustus 1942 vonden de buren op de Westvlietweg in Leidschendam de woning van de familie de Zoete plotseling geheel verlaten. De hele familie was zonder kennisgeving aan de buren vertrokken, op 18 augustus 1942 ondergedoken naar later bleek. Wellicht werd hen de grond te heet onder de voeten, nadat op 15 augustus 1942 het eerste grote transport met 31 Voorburgers naar Westerbork had plaatsgevonden?

De zoon en schoondochter van Naatje, Hendrik en Fifi, kwamen tijdens de onderduik terecht op verscheidene adressen in Den Haag, Wassenaar en Ede, en ook hun kinderen verwisselden het ene onderduikadres voor het andere. Bijzonder is, dat Hendrik en Fifi twee jaar lang, tot het einde van de oorlog, ondergedoken hebben gezeten op de zolder boven het orgel van de Breepleinkerk in Rotterdam-Zuid.

Martha is op 19 augustus 1942 als onderduikster opgenomen in het Psychiatrisch ziekenhuis Oud Rosenburg in Den Haag. Niet duidelijk is of haar moeder Naatje daar ook haar toevlucht heeft gezocht.

Naatje werd op 5 juli 1943 in Den Haag aangehouden, bijna een jaar na het haastige vertrek uit hun woning. Enkele dagen later dagen is zij in Westerbork aangekomen, samen met haar dochter Martha. Daar werden ze met anderen ondergebracht in barak 97, een schoolgebouwtje. Wellicht was het kamp overbevolkt waardoor ook nutsgebouwen als woonruimte werden benut.

In Westerbork hebben moeder en dochter slechts drie nachten doorgebracht voordat zij op transport zijn gesteld naar het oosten. Na aankomst in Sobibór zijn zij direct vergast. Naatje was 70 jaar oud, Martha 38.

Hendrik  en zijn vrouw Fifi  hebben de oorlog overleefd, evenals hun drie kinderen. Na de oorlog is het gezin naar Israël geëmigreerd. Ook Regina, de oudste dochter van Naatje, overleefde de oorlog. Zij is overleden in 1991, 89 jaar oud.

Naatje Mozes Naatje de Zoete

Naatje en Mozes de Zoete

Collectie: Daphne Geismar

Naatje de Zoete-de Zoete

Collectie: Daphne Geismar

 

 

 

 

Familie Vecht

Buitenrustplein 8

 

Naam

Geb.pl.

Geb.dat.

Overl.

Overl.dat.

Lftd

Emanuel Vecht 

Elburg

16-7-1892

Mid-Eur.

31-03-44

51

Esther Vecht-Orchudesch 

Amsterdam

15-6-1900

Auschwitz

09-11-42

42

Alfred Frits Vecht

Amsterdam

22-4-1931

Auschwitz

09-11-42

11

Henri Vecht 

Amsterdam

13-7-1933

Auschwitz

09-11-42

9

Joost Edward Vecht 

Voorburg

7-2-1942

Auschwitz

09-11-42

0

Anna Orchudesch-Woudhuysen 

Amsterdam

2-1-1866

Sobibor

13-03-43

77

Emanuel Vecht, geboren in Elburg, was vertegenwoordiger en magazijnchef. In 1924 trouwde hij (31 jaar oud) met de Amsterdamse Esther Orchudesch (24 jaar).

Het echtpaar kreeg drie zonen. De oudste, Alfred Frits, zat op de HBS. De jongste was een nakomertje, Joost Edward met de roepnaam Joosje.

Anna Orchudesch-Woudhuysen, sinds 1926 weduwe, was de moeder van Esther en schoonmoeder van Emanuel. Zij woonde in bij het gezin van Esther, de jongste van haar vier kinderen, die allen in de oorlog zijn omgekomen. Twee van haar dochters waren getrouwd met twee broers Vecht. Zelf had Anna nog enkele broers en zussen in Amsterdam, ook allen in de oorlog vermoord.

In 1938/1939 woonde het gezin, samen met (schoon)moeder Anna – volgens Adresboek ‘38/’39 – aan de Rembrandtlaan 77. Kennelijk zijn ze later verhuisd naar het Buitenrustplein.

Het hele gezin, vader moeder en hun drie zoons, waaronder baby Joosje, is – tegelijk met de familie De Rood uit de Hofwijckstraat -  op 3 november 1942 naar Westerbork vertrokken.

Een buurvrouw van de familie Vecht schrijft over het vertrek: ‘Ik herinner mij de dag dat zij weggingen, alléén doordat ik in de kinderwagen keek, Joosje lag er nog niet in en aan het hoofdeind stapeltjes luiers en wat kleertjes lagen opgestapeld. Ik vond dat zo raar, want ik was zes jaar, en dacht, dat is toch niet nodig, al die luiers en kleertjes, als je gaat wandelen!!

Na enkele dagen Westerbork is het gezin doorgestuurd naar Auschwitz. Moeder Esther Vecht-Orchudesch en de drie kinderen zijn na aankomst direct vermoord.

Vader Emanuel is gescheiden van de overige gezinsleden. Hij zal zijn geselecteerd voor tewerkstelling in Midden-Europa, waar hij na anderhalf jaar is overleden, waarschijnlijk bezweken onder de onmenselijke omstandigheden.

(Schoon)moeder en oma Anna Orchudesch is op 19 februari 1943, ruim 3 maanden na het gezin Vecht, in Westerbork aangekomen. Wellicht heeft zij een tijd in het pand Westeinde 95 Voorburg gewoond, waar meer ouderen verbleven die op 19 februari 1943 naar Westerbork zijn gebracht.

Na drie weken Westerbork is Anna op de trein naar het oosten gezet, bestemming Sobibór. Het was het laatste vervoer naar deze bestemming met personenwagons. In deze trein van 10 maart 1943 zaten ook veel wezen, kinderen en volwassenen, en het personeel van het Joods Weeshuis in Den Haag, dat op 5 maart 1943 is weggevoerd. De meeste slachtoffers van dit transport, waaronder ook Anna, zijn op 13 maart 1943 in Sobibór omgebracht.

Familie Eliazar

Opwijckstraat 17

 

Naam

Geb.pl.

Geb.dat.

Overl.

Overl.dat.

Lftd

Hartog Eliazar

Rotterdam

29-10-1889

Auschwitz

19-02-43

53

Anna Eliazar-van Kam

Den Haag

27-12-1887

Auschwitz

19-02-43

55

Elizabeth Sientje Eliazar

Rotterdam

04-04-1916

Auschwitz

22-10-43

27

Francina Engelina Eliazar

Rotterdam

18-10-1920

Sobibor

11-06-43

22

Hartog Eliazar kwam uit een Rotterdams gezin met drie zonen. In 1915 trouwde hij met Anna van Kam. Het echtpaar kreeg ook drie kinderen: twee dochters en een zoon.

Vader Hartog was handelsagent en meubelverkoper, fervent voetballer en scheidsrechter en tevens lid van toneelvereniging Kunst na den Arbeid. Hij hield van schaken, schreef muziek, speelde piano voor ziekenhuizen, scholen en het grote publiek.

De kinderen trokken met hem op wanneer ze maar konden.

Anna zorgde voor het huishouden en ze hadden in het weekend regelmatig diners voor vrienden en familie, meestal met muziek en zang. Elizabeth, Felix en Francina waren erg close. Ze werden lid van wandelclubs, speelden muziek en hadden gezamenlijke vrienden.

Het gezin was in 1940 net naar Voorburg verhuisd toen hun huis in Rotterdam op 14 mei door het bombardement werd verwoest.

Aan het begin van de bezetting werd dochter Elizabeth Sientje verkoopster in Amsterdam terwijl Francina als hulp in de huishouding het gezin ondersteunde. Dat duurde echter niet lang omdat de anti-Joodse maatregelen werden aangescherpt.

In 1942 moest Hartog zijn bedrijf sluiten. Eind 1942 dook het gezin onder; Hartog en Anna bij een compagnon in Ede, Elizabeth en Felix bij een bakkerij in Ede, Francina in Den Haag. Na een week vond Felix dat hij de familie niet kon helpen als hij ondergedoken zat. Hij liet Elizabeth bij de bakkerij achter en sloot zich aan bij het verzet. Zo kon hij voedselbonnen bemachtigen en nieuws aan de familie bezorgen. Dat ging goed tot hij na een paar weken wegens valse papieren werd gearresteerd, nadat hij in Den Haag Francina had bezocht.

Hij ontsnapte uit het Oranje Hotel en nam een ​​nieuwe identiteit aan. Vervolgens ging hij aan de slag in Duitsland, voornamelijk om daar bij zijn werk te kunnen saboteren. Hij werd verraden en uiteindelijk naar verschillende kampen gestuurd, waaronder Auschwitz. Ieder contact met zijn familie was verloren.

Op 20 januari 1943 kwamen vader Hartog en zijn vrouw Anna aan in Westerbork. Volgens een familielid dat hij bezocht voordat hij vertrok, zei Hartog dat hij maar zes maanden, op zijn hoogst een jaar weg zou blijven. Hij raakte gewond aan zijn arm, werd geopereerd en verbleef enkele weken in het academisch ziekenhuis van Groningen. Daarna keerde hij terug naar Anna in Westerbork in barak 70, een 'woonbarak ' aan de uiterste noordkant van Kamp Westerbork. De brieven die hij in die tijd schreef waren hoopgevend. In zijn laatste brief van 11 februari 1943 zegt hij: "We leven nu in spanning voor de dingen die komen gaan, aangezien er zoveel in ons gaande is zoals je kunt begrijpen. In de hoop dat met jullie alles gezond en in orde is, groet ik jullie allemaal vanuit mijn hart en laat ik de rest van de ruimte voor Anna, Dag! Tot we elkaar weer ontmoeten."

Op 16 februari 1943 werd het echtpaar op transport gesteld naar Auschwitz, waar ze direct bij aankomst werden vergast.

Beide dochters waren ongehuwd. Elizabeth Sientje werd onder onbekende omstandigheden opgepakt en in Vught opgesloten voordat ze op 18 oktober 1943 in Westerbork aankwam en de volgende dag in een hermetisch afgesloten treinwagon naar Auschwitz werd gezet. Ook de verloofde van haar broer Felix maakte deel uit van dit transport. Zij werden bij aankomst op 22 oktober 1943 direct vergast.

Francina was al eerder dan haar oudere zus gedeporteerd. Op 4 juni 1943 kwam ze als ‘strafzaak’ op een ‘S’-transport vanuit Arnhem met 44 personen aan in Westerbork. Ze vertrok op 8 juni 1943 vanuit Westerbork naar Sobibór als onderdeel van het beruchte Kindertransport. Alle 3.017 personen, waaronder 1.300 kinderen, zijn op de dag van aankomst in Sobibor om het leven gebracht.

Felix David, het middelste kind, geboren in 1917, heeft de oorlog overleefd. Nadat hij in januari 1945 door het Rode Leger uit een buitenkamp van Auschwitz was bevrijd, trok hij met het Rode Leger naar Odessa. Uiteindelijk keerde hij via Marseille terug naar Voorburg, om daar te horen dat hij 65 familieleden had verloren, zijn verloofde, en veel anderen.

In 1954 emigreerde hij met zijn vrouw en twee zonen naar Florida, Verenigde Staten, waar hij zijn naam veranderde in Lazar.

In Florida werkte Felix Lazar als sales promotion manager bij een grote wijnhandel. Hij was ook actief in het Florida Holocaust Museum. Zijn oorlogsherinneringen heeft hij opgeschreven in een boek, uitgegeven in 2001: '175288: Een overlevende herinnert zich'. Felix stierf in 2004, 87 jaar oud.

                                           

Hartog Eliazar Anna Eliazar-van Kam
Francina Eliazar Elisabeth Eliazar

Ontleend aan:  Joodsmonument.nl    

Copyright: Yad Vashem, Jeruzalem

Elizabeth, Francine, Felix Eliazar, ca. 1933

Familie Allemans

Damsigtstraat 19

Naam

Geb.pl.

Geb.dat.

Overl.

Overl.dat.

Lftd

Hartog Allemans 

Dordrecht

21-3-1879

Auschwitz

29-10-42

63

Elizabeth Wilhelmina Allemans-Hartogs

Rotterdam

23-3-1888

Auschwitz

29-10-42

54

Van het gezin Allemans is weinig bekend. Volgens Joodsmonument.nl had Hartog Allemans een broer en drie zussen.  Bij de Burgerlijke Stand van Voorburg staat hij ingeschreven ‘zonder beroep’. Hij is met zijn vrouw Elizabeth Hartogs en hun zoon Maurits Willem Allemans, geboren 14-1-1918,  in 1930 in de Damsigtstraat komen wonen. Voor die tijd woonden zij in Rotterdam.

Het echtpaar is al vrij vroeg in Westerbork beland (24 oktober 1942) en is daar direct op transport gezet naar Auschwitz, waar beiden 5 dagen na vertrek uit Voorburg zijn vergast.

Zoon Maurits Willem, vertegenwoordiger, heeft de oorlog overleefd, is getrouwd en heeft een dochter gekregen, Tenita Allemans, geboren in Leiden op 8 oktober 1945.

Familie Hakkert

Oosteinde 301

 

Naam

Geb.pl.

Geb.dat.

Overl.

Overl.dat.

Lftd

Mozes Richard Hakker 

Rotterdam

31-1-1894

Sobibor

09-03-43

49

Philip Max Hakker

Rotterdam

30-9-1920

Sobibor

09-03-43

22

Mozes Richard (Max) Hakker werd in Rotterdam geboren als een van de twee zonen van Philip Hakker. Philip Hakker, ‘zich noemende en schrijvende Hakkert’, had in Rotterdam een winkel in alles wat met muziek te maken had: bladmuziek, muziekinstrumenten, speeldozen, harmonica’s en grammofoons. Hij opende ook een werkplaats voor de reparatie van muziekinstrumenten, vooral blaas- en slaginstrumenten.

Max trouwde in 1916 met Flora Sanders, pianolerares.

Zij kregen een dochter, Ans, en een zoon, Philip (Flip) Hakkert.

Na het overlijden van vader Philip zette zoon Max (toen 31 jaar) de zaak voort onder de naam firma Ph. Hakkert Jr. De andere zoon, Jaap, verwierf vanaf 1910 grote vermaardheid als viool- en cellobouwer.

In de vooroorlogse cabaret- en jazz-scene in Rotterdam speelde Max een belangrijke rol door zijn contacten met prominente musici zoals Louis Davids en Lou Bandy maar ook buitenlanders zoals Coleman Hawkins en Louis Armstrong. Bladmuziek zowel als grammofoonplaten van veel bekende liederen van onder meer Louis Davids werden door Hakkert uitgegeven. Tot de oorlog uitbrak ging het ieder die bij de zaak betrokken was voor de wind. Inmiddels was ook Flip, de bijna 20-jarige zoon van Max, na een opleiding in het buitenland, in de zaak opgenomen.

Er is een journaal bewaard gebleven van 9 mei 1940 tot zomer 1942, geschreven door Max Hakkert. Hieruit blijkt dat het gezin nog op de ochtend van 14 mei 1940, enkele uren vóór het bombardement op Rotterdam, de mogelijkheid heeft besproken om naar Engeland te vluchten.

Tijdens het bombardement zit de familie in een schuilkelder, dicht bij de zaak en dicht bij hun huis. Bij het verlaten van hun schuilplek zien ze de troosteloze aanblik van een brandende stad, ingestorte huizen, verbrokkelde muren, straten bezaaid met puin en glas. Alles in één klap vernietigd, ook hun eigen woning en winkel.

Het gezin maakt een nieuwe start vanuit het pand waarin de snarenfabriek van broer Jaap was gevestigd.

Na het verwoestende bombardement van mei 1940 zijn er nog veel luchtaanvallen op Rotterdam. In februari 1941 wordt het Sint Franciscusgasthuis, destijds op de Schiekade, zwaar getroffen. De snarenfabriek met muziekwinkel die ook in die buurt staat blijft ternauwernood gespaard. De grond wordt echter te heet onder de voeten en de familie Hakkert besluit om een woonplek buiten Rotterdam te zoeken.

Via een vriend kunnen ze begin 1941 een verdieping huren boven kapsalon Jenny, Oosteinde 301 in Voorburg. Maar de maatregelen tegen de Joden worden steeds scherper: hun bewegingsvrijheid wordt sterk beperkt, bezittingen worden geconfisqueerd. De bezetter stelt een ‘Verwalter’ (bewindvoerder) aan in de zaak. Max mag vanaf 1 april 1942 niet meer in de zaak komen.

Hij wijdt zich dan vanuit zijn nieuwe woonplaats Voorburg aan tekenen, schilderen, en muziek maken. Hij had vroeger een opleiding gevolgd aan de kunstacademie.

                                                          

In de zomer van 1942 besluit de familie Hakkert de vlucht te nemen naar Zwitserland.

Met hulp van een passeur zijn zij tot in Frankrijk gekomen. In de Franse stad Nancy worden  zij echter verraden en opgepakt. De mannen, vader Max en zoon Flip, plus de verloofde van Ans, worden gescheiden van de vrouwen, moeder Flora en dochter Ans.

Eind november 1942 komen de mannen terecht in een werkkamp in de Franse plaats Châteauneuf-les-Bains, ten noorden van Clermont-Ferrand. Hier krijgen ze overigens goed te eten, onder meer hutspot, bereid door een Hollandse kok. Ze slapen er op een hooizolder.

Uit een briefkaart blijkt dat zij dan al in een interneringskamp voor Spaanse, Joodse en zigeunervluchtelingen zijn geweest aan de voet van de Pyreneeën nabij Perpignan.

Moeder Flora en dochter Ans bevinden zich in deze periode ook in Châteauneuf-les-Bains. Uit de correspondentie blijkt dat zij erg weinig te eten hebben. Max schrijft dat hij – met of zonder toestemming van de kampcommandant – kamers wil huren buiten het werkkamp. Daar zouden ze dan met het hele gezin kunnen wonen. Waarschijnlijk is dit meer een wensdroom dan een reële optie.

Op 28 februari 1943 stuurt Max een briefkaart vanuit Pau, op weg naar het interneringskamp Gurs. Gurs ligt ook aan de voet van de Pyreneeën, bij Pau. Het kamp diende in 1943 als doorvoerkamp voor de vernietigingskampen in Oost-Europa.

De mannen gaan er van uit dat ze naar een werkkamp zijn gebracht, maar na drie dagen vertrekken ze al weer per trein naar het noorden, met bestemming Drancy.

Drancy is het laatste doorgangskamp voor het eindstation, via Chelm naar Sobibór.

Na aankomst in Sobibór op 9 maart 1943 worden Max en zijn zoon Flip direct vermoord.

Moeder Flora en dochter Ans zijn er in geslaagd Zwitserland binnen te komen.

Flora heeft na terugkeer in Nederland de muziekzaak van haar man voortgezet. Dat was niet gemakkelijk. Veel Nederlanders hielden aan de oorlog een ambivalente houding over jegens personen die teruggekomen waren. In kringen van Joodse burgers die erin waren geslaagd terug te komen werd wel gezegd: ‘Men vond het niet erg dat we weggingen, maar wel dat we terugkwamen’. Desondanks is Flora erin geslaagd om samen met haar neef David Sanders het bedrijf in de jaren zeventig tot grote bloei te brengen.

Uiteindelijk is Muziek Hakkert, zoals het bedrijf inmiddels heette, in 2007 opgehouden te bestaan.

Een uitgebreider verhaal over Max en Flip Hakkert is te lezen in https://www.historischeverenigingvoorburg.nl/images/Artikelen%20documenten/HV21-1%2070%20jaar%20vrede%20en%20vrijheid.pdf  p. 85–92.

Max en Flip Hakkert

Particuliere collectie  

Max Hakkert in betere tijden

Particuliere collectie

Huize_Jenny  

Huize Jenny, Oosteinde 301

Particuliere collectie

 
Max_Richard

Max Richard Hakkert

Particuliere collectie

Flip Hakkert

Particuliere collectie  

 
 

Familie Hertz

Laan van Leeuwesteyn 22

 

Naam

Geb.pl.

Geb.dat.

Overl.

Overl.dat.

Lftd

Jacques Gustave Hertz 

Sittard

04-08-1895

Auschwitz

31-03-44

48

Rela Hertz-Heijmans 

Enschede

04-07-1892

Auschwitz

10-09-43

51

Hermine Bonn-Hertz

Rotterdam

13-12-1918

Auschwitz

30-06-44

25

Jaap Herman Hertz 

Rotterdam

04-09-1923

Mauthausen.

13-11-42

19

Carina Hertz 

Voorburg

20-11-1933

Auschwitz

10-09-43

9

Jacques Hertz was – evenals zijn vader – zakenman. Zijn familie zat in de handel in granen. Hij was in 1917 getrouwd met Rela Heijmans. In 1928 verhuisde het gezin naar Voorburg. Daar is hun jongste kind, Carina, geboren.  Ook de vader van Rela, Jacob Heijmans,  woonde tot zijn overlijden in oktober 1941 bij het gezin in. Geen van de leden van het gezin heeft de oorlog overleefd.

Zoon Jaap, een goede pianist, werd als eerste van het gezin opgepakt, eind juli 1942, in Limburg waar familie woonde. Ondergedoken of op de vlucht naar Zwitserland? Na een paar maanden in de gevangenis van Maastricht gezeten te hebben is Jaap begin oktober overgebracht naar Kamp Amersfoort. Op 22 oktober 1942 is hij vervolgens doorgestuurd naar werkkamp Mauthausen. Daar moest hij werken in de steengroeve. Drie weken na aankomst is hij ‘auf der Flucht erschossen worden’, 19 jaar oud.

Twee weken later, eind november 1942, komen vader Jacques, moeder Rela en hun net 9 jaar geworden dochter Carina aan in Westerbork.

De familie Hertz was bevriend met de familie Jacobson, Dr Beguinlaan 14, die nog geen kilometer van hun huis in de Laan van Leeuwesteyn woonde. Beide gezinnen hadden dochters van dezelfde leeftijd en zij zullen samen in Westerbork zijn aangekomen. Op de kaarten van de Joodsche Raad wordt als adres van de familie Hertz zelfs Dr. Beguinlaan 14 genoemd.

Uit correspondentie blijkt dat Jacques Hertz eind december 1942 in Westerbork in het ziekenhuis lag. Wellicht zijn zij daarom niet direct gedeporteerd, maar zijn zij tot 7 september 1943 in Westerbork gebleven, in tegenstelling tot de familie Jacobsen, die al in december 1942 is vergast. Dit lot wachtte ook moeder Rela en dochtertje Carina, direct nadat zij vanuit Westerbork in Auschwitz waren aangekomen.

Vader Jacques is ruim een half jaar later in Auschwitz vergast.

Hermine (Mimi) Bonn-Hertz was apothekersassistente.  Zij stond sinds juli 1942 ingeschreven bij haar schoonmoeder in Venlo. Hermine was in april 1942 in Venlo getrouwd met Walter Bonn, fabrikant van metaalwaren. Het echtpaar had (nog) geen kinderen.

Volgens een opgave van de gemeente Venlo volgde zij in oktober 1942 haar man Walter vrijwillig naar ‘Het Overbroek’, een Joods werkkamp tussen Ochten en Kesteren. De mannen moesten hier werken aan de afbraak van de militaire Grebbelinie. Waarschijnlijk is Mimi daar niet lang geweest. Op de kaart van de Joodsche Raad wordt vermeld dat zij op 8 oktober 1942 in Westerbork is aangekomen. Daar woonde en werkte zij met haar man Walter, die later ook naar Westerbork is overgebracht, in barak 63 (zilverpapierindustrie) en in het ziekenhuis.

Bijna een jaar later is Mimi op 14 september 1943 op transport gesteld naar Kamp Auschwitz. Haar ouders waren een week eerder naar Auschwitz gedeporteerd. Wellicht hebben zij elkaar in die ene week nog kunnen ontmoeten.

Mimi is vanaf haar aankomst in Auschwitz in blok 10 aan medische proeven blootgesteld geweest. De experimenten in dit blok waren zeer verschillend en varieerden van huidonderzoeken tot dodelijke injecties in het hart.

Hoewel blok 10 in het mannenkamp lag, werden er voor de meeste experimenten vrouwen gebruikt. Uiteindelijk is Mimi in juni 1944 in de ziekenbarak aan tyfus overleden.

 

 Herz Jacques Hertz en Rela  Herz Hermine Bonn
Jacques Hertz en Rela Herz-Heijmans (rechts op de foto) op de bruiloft van Hermine, 1942.
Collectie Rami Noach, Israël.
Hermine Bonn-Hertz, op 9 januari 1943 door Leo Kok in Westerbork getekend
   herz Carina

Jaap Hertz, 1942

Collectie Carla Lessing, USA

Carina Hertz, 1939

Collectie Gerard Linssen

Lees meer...