Historische Vereniging Voorburg

Familie Adelaar

Koningin Wilhelminalaan 508c (van 1942-1945: Admiraal de Ruyterlaan 508c)

 

Naam

Geboorteplaats

Geboortedatum

Overleden

Datum overlijden

Leeftijd

Wilhelm Meijer Adelaar 

Deventer

15-8-1909

Auschwitz

30-12-42

33

Henriëtte Adelaar-Korijn

Amsterdam

5-10-1913

Auschwitz

03-09-42

28

 Adelaar 1

Willie en Hannie Adelaar-Korijn zijn twee jonge mensen met een veelbelovend leven voor zich. Beiden zijn afkomstig uit het gegoede joodse milieu van handelaren en winkeliers.

Wilhelm Meijer Adelaar (Willie) werd geboren als zoon van een winkelier in manufacturen in Deventer. De familie bezat een vakantiewoning, een zogenaamd Noors huis, het ‘Adelaarsnest’. Daar werden gasten ontvangen, familie en vrienden. De familie was joods, maar niet religieus.

Adelaar WillieWillie verdiende de kost met een agentuur voor de firma Scholten uit Twente, voor Adelaar Korijn Hanniewie hij luxe zakdoeken aan de man bracht. Voor zijn werk was Willie verhuisd naar Scheveningen, Brugsestraat 10.

Henriette (Hannie) was de oudste dochter van de zakenman Julius Korijn. Vader Julius had de Nederlandse rechten verworven op de handelsformule van het Duitse lingerie-concern Etam. Hij opende winkels in verschillende steden. In 1940 bezat hij 11 textielzaken.

Hannie was volgens haar broer een rustig, vriendelijk meisje. Ze was weliswaar niet erg leergierig maar doorliep na de lagere school wel de meisjesmulo in de Haagse Atjehstraat.

In bewaard gebleven brieven vertellen Willie en Hannie over hun dagelijkse leven voor en na hun trouwen. De jonge mensen zaten vol toekomstplannen, maar die werden helemaal doorkruist door de oorlog. Na hun herhaaldelijk uitgestelde bruiloft betrokken ze eind 1940 een benedenwoning aan de Koningin Wilhelminalaan 508c.

Adelaar 2

Medio 1942 werd de grond te heet onder hun voeten en besloten ze samen met hun (schoon)vader Julius Korijn en Hannies jongere zus Mientje naar Zwitserland te vluchten. Voor hen stond vast dat de oorlog lang zou gaan duren en dat de Duitsers als overwinnaars uit de bus zouden komen.

 

Foto’s: Particuliere collectie

Familie Bak

Koningin Wilhelminalaan 21, Leidschendam (van 1942-1945: Nieuwe Laan geheten)

Naam

Geboorteplaats

Geboortedatum

Overleden

Datum overlijden

Leeftijd

Benedictus Bak

Den Haag

4-5-1909

Auschwitz

30-6-1944

35

Debora Bak-Lehrer

Mochnate

15-11-1913

Auschwitz

28-1-1944

30

Joël Bak

Westerbork

11-12-1943

Auschwitz

28-1-1944

0

Joseph Bak

Den Haag

1-4-1911

Auschwitz

31-3-1944

32

Benedictus Bak was een zoon van Joël Bak en Kaatje Bak-Gobes die in de Wagenstraat 165 te Den Haag een winkel in belegde broodjes hadden. Er was ook nog een winkel in Scheveningen. Joël en Kaatje Bak-Gobes woonden in bij hun broodjeszaak in Den Haag. Vader Joël is in augustus 1942 in Amsterdam overleden. Het echtpaar had drie kinderen, Benedictus, Joseph en Betsy.

Benedictus (bekend als Ben) en Joseph (Joop) werkten in de broodjeszaken, bekend om hun kroketten. Eind april/begin mei 1942 werd Ben door de burgemeester van Leidschendam, H.A.C. Banning, belast met het uitreiken van de gele Jodenster aan alle Joodse Leidschendammers. Er woonden destijds in totaal 26 Joodse burgers in Leidschendam, inclusief Stompwijk, dat in 1938 bij Leidschendam was gevoegd.

Van moeder Kaatje Bak, haar zoon Joop en schoondochter Debora is bekend dat de burgemeester van Leidschendam op 17 december 1942 verzocht om opsporing, aanhouding en voorgeleiding van deze personen. Zij hadden zonder de vereiste vergunning hun woonplaats Leidschendam verlaten. Met deze omschrijving werden Joden aangeduid die waren ondergedoken.

Eind 1942 doken Ben, zijn vrouw Debora en zijn broer Joop onder. Het vertrek uit Leidschendam moet erg haastig zijn gebeurd. Volgens het boek Over, door en om de Leytsche Dam, 1988, p.343 stond het eten op de gedekte tafel nog voor een deel onaangeroerd toen de buren het vertrek ontdekten. De onderduikers werden opgenomen in het gezin Ubels aan de Vlielandseweg 47 in Pijnacker en kregen twee kamers op de eerste verdieping. Het leven ging door en Debora raakte zwanger.

Ben en Debora hadden al een kind, Zilli (1937 – 1950), dat tijdens de oorlog in Limburg in de onderduik zat en de oorlog overleefde, maar in 1950 in Amsterdam met haar fiets onder de tram kwam en overleed.

In de herfst van 1943 werd de familie Bak verraden en op hun onderduikadres gearresteerd. Ook de onderduikgevers werden meegenomen. Via Huize Windekind aan de Nieuwe Parklaan in Scheveningen, waar de deportatie van Joden werd gecoördineerd, kwamen ze op 6 oktober 1942 in de strafgevangenis van Scheveningen (Oranjehotel) terecht. Het echtpaar Ubels kwam na enkele dagen weer vrij, maar Ben, Debora en Joop Bak werden op 9 oktober 1942 overgebracht naar Westerbork. Ben verdween naar strafbarak 67, Debora naar quarantainebarak 82. Joop werd na tien dagen doorgestuurd naar Auschwitz.

In Westerbork beviel Debora van hun tweede kind: Joël. Buren van de onderduikfamilie Ubels in Pijnacker zamelden kleertjes in voor de baby en stuurden het pakket naar Westerbork.

Ben, Debora en baby Joël werden op 25 januari 1944 vanuit Westerbork op de trein gezet naar Auschwitz. Debora en Joël, nauwelijk anderhalve maand oud, werden direct na aankomst vergast.

Ben werd na aankomst in Auschwitz doorgestuurd naar werkkamp Günthersgrube, een steenkolenmijn. Hij werd ziek en is samen met elf andere mannen afgevoerd naar Birkenau, waar de groep nog enige tijd in de ziekenbarakken verbleef. Na vijf maanden is Ben overleden.

Joop Bak was al drie maanden eerder in Auschwitz omgekomen. Het feit dat de aangegeven overlijdensdata van Ben en van Joop vallen op de laatste dag van een maand of kwartaal maakt het waarschijnlijk dat hun werkelijke sterfdatum niet achterhaald kan worden. Er mag wel worden aangenomen dat beide broers op de genoemde data niet meer in leven waren.

De echtgenote van Joop Bak, Mietje van der Reis, heeft de oorlog overleefd. Het echtpaar had twee kinderen, Kitty en Herman. Beide kinderen hebben de oorlog overleefd, zijn geëmigreerd, getrouwd en hebben kinderen en kleinkinderen gekregen.

Kaatje Bak-Gobes verbleef sinds september 1942 in de Joodse psychiatrische inrichting ‘Het Apeldoornsche Bosch’ in Apeldoorn. Daar was eerder al haar dochter Betsy opgenomen. Moeder en dochter zijn samen met 1250 andere patiënten en personeelsleden in januari 1943 met goederenwagons weggevoerd vanuit hun veilig gewaande oord en rechtstreeks naar Auschwitz gebracht. Al deze gedeporteerden zijn op 25 januari 1943 vergast.

Familie Meijers

Vijverhof 16

Naam

Geboorteplaats

Geboortedatum

Overleden

Datum overlijden

Leeftijd

Arend Samuel Meijers

Middelburg

27-7-1899

Vierhouten

31-10-1944

 45

John Roedolf Meijers

Voorburg

10-7-1938

Vierhouten

31-10-1944

 6

Arend Samuel Meijers was de zoon van een arts uit Middelburg. Zelf was Arend alleenvertegenwoordiger voor bekende merken. Hij was getrouwd met Wilhelmina de Kadt. Zij hadden twee kinderen, Suzeline en Johnnie.

In augustus 1942 kreeg de familie Meijers, vader, moeder en hun twee kinderen een oproep om zich op het NS-station te melden. Ze vertrouwden het niet en besloten onder te duiken. Via een kennis in de straat die contacten had met een ‘goede’ burgemeester op de Veluwe, en met inschakeling van het verzet kon het gezin op de Veluwe worden ondergebracht. Door verraad moesten ze echter verscheidene keren verkassen.

Tenslotte werden ze door het verzet naar de bossen bij Vierhouten gebracht waar tientallen mensen zich in hutten verborgen hielden voor de Duitsers, half verscholen in de aarde, het dak weggewerkt onder plaggen bosgrond. Dat was het 'Verscholen Dorp' of ‘Pas Op’-kamp.

Meijers VerscholenDorp 1

Meijers VerscholenDorp 2

 

 

 

 

 

 

 

Op zondag 29 oktober 1944 werd het kamp met onderduikers ontdekt door twee SS-ers, een Duitser en een Nederlander die op jacht waren. Zij hoorden het geluid van houthakken in het bos en vonden dat verdacht. Ze gingen op het geluid af en losten een aantal schoten.

Door het geschiet is direct het hele dorp gealarmeerd. De twee SS'ers gaan er vandoor in de veronderstelling dat ze op een grote en goed bewapende verzetsgroep zijn gestuit. Ze haasten zich terug om versterking te halen bij de nabij gelegen Paaschheuvel, waar twee- tot driehonderd Nederlandse SS-ers bivakkeren. Ondertussen is de paniek bij de onderduikers groot en vluchten groepjes alle kanten op. Als de Duitsers die avond nog de bossen uitkammen en schieten op alles wat beweegt zijn de meeste onderduikers verdwenen. Een zieke man, een gedeserteerde Duitser, vader en zoon Meijers, die naar het kamp waren terug gegaan om spullen op te halen, en nog enkele bewoners van het kamp, worden wel gepakt. Zij worden in de kelder van de Paaschheuvel gevangen gezet. Twee van hen werden later aan de voet van De Paasheuvel gefusilleerd.

De anderen moesten naar het Pas Op-kamp lopen om daar gefusilleerd te worden. Ongeveer één kilometer buiten Vierhouten ontstond een schermutseling, toen twee van de onderduikers probeerden te vluchten. Één van hen werd op de vlucht doodgeschoten, de ander, Arend Meijers, keerde terug toen zijn 6-jarig zoontje Johnny om zijn vader begon te roepen.

De  uit Arnhem overgekomen SS-Sturmscharführer Ferdinand Frankenstein laat de mannen kuilen graven en de laatste nog levenden worden staand in de graven dood geschoten, Johnny Meijers als laatste. 

Wilhelmina de Kadt, de moeder van Johnny en weduwe van Arend Meijers kreeg een jaar later, in oktober 1945 bericht dat de graven gevonden waren. Momenteel rusten vader en zoon op het Nederlands Ereveld te Loenen.

Behalve Wilhelmina de Kadt heeft ook Suzeline Meijers, de zus van Johnny, de oorlog overleefd.

 

 

Familie van Daelen

Potgieterlaan 11

 

Naam

Geboorteplaats

Geboortedatum

Overleden

Datum overlijden

Leeftijd

Andries Samson van Daelen

Vlaardingen

14-4-1891

Sobibor

13-03-43

51

Minka van Daelen-Coltof 

Maassluis

10-1-1893

Sobibor

13-03-43

50

Louis Jean Simon van Daelen

Rotterdam

27-4-1933

Sobibor

13-03-43

9

De Van Daelen’s richtten diverse bedrijven op in de olie- en vet-industrie in Rotterdam.

De olie- en vethandel begon in 1893 toen de vader van Andries Samsom, Simon van Daelen, samen met zijn neef Simon van Wessel de firma Van Daelen & Van Wessel oprichtte. Een van hun belangrijkste oliemerken was White Star. Ook produceerden ze een schoenencrème onder het merk ‘DeeWee’, met verwijzing naar de namen van de oprichters.

De vier zonen van Simon van Daelen, te weten Hendrik, Isidoor, Andries Samson (André genoemd) en Leonardus werden opgenomen in het bedrijf.

André behaalde zijn Diploma Mercurius aan de Handelsschool te Rotterdam en begon in het bedrijf van zijn vader als kantoorbediende.

In 1928 begon hij wegens een verschil van mening voor zichzelf en voerde als handelsmerk Andaco. Hij bracht ook een product op de markt onder de naam Minkaline, verwijzend naar de voornaam van zijn vrouw Minka (roepnaam Mien) Coltof, waarmee hij in 1916 op bijna 25-jarige leeftijd was getrouwd.

André en Mien kregen in 1933 een zoon Louis, die ze Louki noemden.

Binnen de Joodse gemeenschap in Rotterdam vervulde André verschillende maatschappelijke functies. Zo was hij o.a. Regent penningmeester van het Gesticht voor Israëlitische Oude Lieden en Zieken, Penningmeester van het Israëlitisch Weeshuis en Lid van het Nederlands Israëlitisch Armbestuur. Ook maakte André deel uit van de Kerkeraad van de Nederlands Israëlitische Gemeente. Deze functie had hij nog toen hij in juni 1942 in Voorburg woonde.

Op 9 oktober 1942 zijn André, Mien en hun 9-jarige zoontje Louki in Westerbork aangekomen. Uit de getuigenis van een nicht van André, die Westerbork en de oorlog overleefde, blijkt dat zij in de schoenreparatieafdeling van het kamp een poster van schoenencrème ‘DeeWee’ ontdekte. Een pijnlijk beeld van herkenning en een wrange herinnering aan een familietak waarvan zij als enige overleefde.

Na zeven maanden Westerbork is het gezin Van Daelen op 10 mei 1943 op transport gesteld naar Sobibor, waar het hele gezin op 13 maart 1943 is vermoord.

Familie van Dam

Laan van Nieuw Oosteinde 275

Naam

Geboorteplaats

Geboortedatum

Overleden

Datum overlijden

Leefftijd

Mozes van Dam 

Rotterdam

5-1-1903

Sobibor

16-7-1943

40

Rachel van Dam-Leons

Rotterdam

4-6-1907

Sobibor

11-6-1943

36

Emma Rosette van Dam

Den Haag

23-6-1937

Sobibor

11-6-1943

5

Mozes van Dam kreeg bij zijn geboorte de roepnaam Maurits. Zijn ouders, Izaak en Emma van Dam, bezaten de hoedenzaak Maison Van Teeffelen, met drie vestigingen in Rotterdam. Moeder Emma, geboren in Antwerpen, begon als hoedenontwerpster en ontwikkelde zich als een zeer kundige zakenvrouw met een goed oog voor de mode en begrip van waar vraag naar was. Zij overleed begin 1940 aan kanker. Vader Izaak is in 1943 in Sobibor vermoord.

Maurits trouwde op 10 juli 1930 met Rachel (Chel) Leons. In 1933 liet hij zich inschrijven in de gemeente Voorburg. Het echtpaar ging wonen aan de Laan van Nieuw Oosteinde 275.

Rachel, geboren 4 juni 1907, was de dochter van Abraham Leons en Rosette Leons-Presser. Deze ouders woonden in het begin van de oorlog aan de Weteringkade in De Haag. Moeder Rosette is in december 1940 in Den Haag overleden, 59 jaar oud. Haar man Abraham is weggevoerd naar Auschwitz, waar hij eind februari 1943 is omgekomen, 60 jaar oud.

Maurits Van Dam stond bij de gemeente Voorburg ingeschreven als ‘handelsreiziger pelterijen’ (vertegenwoordiger in bontwerk, pelswerk), maar na enige tijd werden de echtelieden de eigenaren van een damesmode import firma “M. van DAM,  MODES ENGROS, gevestigd aan het Spui 151 in het centrum van Den Haag.

Op 23 juni 1937 wordt hun dochtertje geboren, Emma Rosette.

Dan komt de oorlog dichterbij en wordt vervolgens realiteit.

Aan Joden werden steeds meer beperkingen opgelegd: ontslag van Joods personeel in overheidsdienst; verbod voor Joden om bioscopen te bezoeken; registratie van Joodse personen en bezittingen; verbod voor Joden op het bezit van radio’s; Joden mogen niet langer markten, zwembaden, stranden, parken, dierentuinen, café’s, restaurants, hotels, schouwburgen en musea bezoeken.; Joodse kinderen mogen niet meer naar openbare scholen.

Er zijn inmiddels een paar en razzia’s geweest, waarbij enkele honderden Joden zijn opgepakt en gedeporteerd.

Het huis aan de Laan van Nieuw Oosteinde 275 is in december 1942 door de bezetter gevorderd. Het gezin was daardoor gedwongen te verhuizen. Moeder Rachel en dochter Emma hebben daarna hun intrek genomen in het ouderlijk huis van Rachel, Weteringkade 15 Den Haag. Vader Maurits woonde kennelijk al niet meer in zijn huis. Hij zou slavenarbeid hebben moeten verrichten aan de Moerdijk voordat hij naar Vught is gedeporteerd.  Rachel en Emma zijn eveneens in de eerste maanden van 1943 op transport gesteld naar Vught. Zij maakten vervolgens deel uit van het beruchte kindertransport van 6 juni 1943 van Vught naar Westerbork. Dit transport dat op 11 juni 1943 in Sobibor aankwam, was het grootste van alle transporten die vanuit Nederland naar de vernietigingskampen zijn gegaan, méér dan 3000 personen op één dag. Emmy was nog geen 6 jaar, haar moeder Chel had nog maar enkele dagen eerder haar 36e verjaardag herdacht.Vader Maurits van Dam volgde enkele weken later dezelfde route van Vught via Westerbork naar Sobibor, waar hij op 16 juli 1943 werd vermoord.

Familie Waisvisz

Molenwijkstraat 8

 

Naam

Geboorteplaats

Geboortedatum

Overleden

Datum overlijden

Leeftijd

Benjamin Waisvisz 

Den Haag

19-2-1901

Sobibor

23-07-43

42

Sophia Julia Waisvisz-Drievoet 

Werkendam

31-12-1897

Sobibor

23-07-43

45

Sidney John Waisvisz 

Den Haag

17-7-1928

Sobibor

23-07-43

15

John Sidney Waisvisz 

Den Haag

13-6-1930

Sobibor

23-07-43

13

Vader Benjamin werkte als bedrijfsleider.

Sidney John Waisvisz zat in september 1941 in de tweede klas van de 1e Gemeentelijke HBS te Den Haag. In oktober 1941 moest hij naar klas 2 van het Joods Lyceum in de Fisherstraat. Het volgende schooljaar zat hij in klas 3. Van de 47 namen van 2e-klassers van het schooljaar 1941/1942 treffen we er nog maar 16 aan in de 3e klas van het schooljaar 1942/1943.

De jongens Waisvisz hadden thuis een aquarium met vissen. Toen dit onverhoopt een reparatie nodig had, brachten ze het naar de dichtstbijzijnde reparateur, de huis- en decoratieschilder A.C. Marijs, met zijn bedrijf aan de Laan van Rustenburg 7. Terwijl het daar op reparatie wachtte, belandden vader Benjamin en zijn zoontjes echter in Westerbork, waar zij op 10 oktober 1942 aankwamen. Moeder Sophia is pas op eind mei 1943 in Westerbork aangekomen. Het hele gezin is vervolgens op 20 juli 1943 op transport gesteld naar Sobibor, waar zij na aankomst direct zijn vermoord.

Het aquarium is nooit opgehaald.

Familie Kukenheim

Prinses Mariannelaan 226

 

Naam

Geboorteplaats

Geboortedatum

Overleden

Datum overlijden

Leeftijd

Leon Kukenheim 

Amsterdam

28-5-1899

Sobibor

23-07-43

44

Sara Kukenheim-van der Ham

Breda

1-6-1907

Sobibor

23-07-43

36

Leon Kukenheim was voor de oorlog inkoper in de Bijenkorf voor diverse afdelingen. Het echtpaar had één kind, Betty, geboren in 1935, die de oorlog heeft overleefd.

Halverwege 1942 vond het gezin, dat de woning aan de Prinses Mariannelaan 226 niet veilig meer was en ging op zoek naar een onderduikadres.

Het zoeken van een onderduikadres was een moeizaam proces: vaak vroegen de onderduikgevers daarvoor veel geld, en het was ook voor hen een riskante onderneming. Bovendien was er weinig te eten,  alles was op de bon of alleen op de zwarte markt te krijgen. In de herinnering van Betty is het gezin zeker wel in een jaar tijd op 11 verschillende adressen geweest, soms in een klein kamertje of op zolders.

Het laatste onderduikadres was in de buurt van Haarlem. Bij een razzia, waarbij de hele straat werd afgezet en elk huis doorzocht werd, is het gezin gevonden en opgepakt. Ze werden meegenomen naar het politiebureau en de volgende dag naar de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam gebracht.

Kinderen van Joodse gezinnen die waren opgepakt werden aan de overkant van de Schouwburg in een crèche ondergebracht. Van daaruit werden regelmatig kinderen naar buiten gesmokkeld en via een netwerk van verzetsmensen verspreid over het land ondergebracht. Ook Leon en Sara Kukenheim stemden er mee in dat hun dochter Betty naar buiten werd gesmokkeld en elders werd ondergebracht, totdat zij zelf weer terug zouden komen.

Betty, 8 jaar inmiddels, is opgenomen door een bakkersgezin in het Limburgse Schaesberg, bij Heerlen. Hier is zij gebleven tot de bevrijding in september 1944.

Na de oorlog werd duidelijk dat de Leon en Sara Kukenheim op 17 juli 1943 in Westerbork zijn aangekomen en zes dagen later in Sobibor zijn vermoord.

Betty is overleden in 2016, 81 jaar oud.

Familie Goldsteen

Rhijnvis Feithstraat 1

 

Naam

Geboorteplaats

Geboortedatum

Overleden

Datum overlijden

Leeftijd

Alfred Goldsteen 

Kohlscheid

6-2-1906

Mauthausen

10-04-45

39

Alfred Goldsteen had een Nederlandse vader en een Duitse moeder. Het gezin telde drie kinderen: Alfred, de twee jaar jongere Carl en een nakomertje, Frederik.

De ouders hadden aanvankelijk een manufacturenzaak en later een hoedenzaak met atelier in Duitsland, zo’n 40 km ten oosten van Roermond. Midden jaren twintig verhuisde het gezin naar Aken en vervolgens naar Vaals, Zuid-Limburg. Hier opende zijn vader een grenswisselkantoor.

Alfred koos voor een loopbaan in de handel en trad in dienst bij een Ford-dealer in Aken. Daarna had hij nog verschillende andere baantjes, o.a. bij een motorrijwielzaak in Rotterdam. In deze stad werd hij lid van een roeivereniging. Via de watersport leerde hij in 1933 zijn latere vrouw kennen, Tine Janna Hoen uit Den Haag. In 1935 trouwde het stel en verhuisde enige tijd later naar Voorburg, waar ze in de Hofwijckstraat 46 een huis aan De Vliet vonden, een ideale plek voor liefhebbers van de watersport. Later verhuisden ze naar de Rhijnvis Feithstraat 1. Hier woonden ze in februari 1942.

Alfred kreeg in Den Haag een baan als boekhouder bij het verzekeringskantoor van zijn schoonvader, gelieerd aan De Nederlanden van 1845.

In november 1941 werd Alfred bij zijn schoonvader ontslagen, omdat hij als Jood niet meer mocht werken, maar met een vals persoonsbewijs kon hij toch (illegaal) doorwerken. Hij gebruikte zijn valse identiteit om verzetswerk te doen, onderduikplaatsen te vinden en onderduikers te helpen.

In februari 1942 werd zoontje George geboren. Inmiddels was ook zijn moeder Carolina Goldsteen-Mendel bij hem in Voorburg ondergedoken. Na verraad is zij in oktober 1943 in Voorburg opgepakt, samen met de vrouw van haar zoon Carl. Nog in diezelfde maand zijn zij in Auschwitz vermoord.

In het begin van de oorlog kon Alfred met zijn vervalste papieren ongestoord reizen. Totdat in februari 1944 tijdens een treinreis werd ontdekt dat zijn persoonsbewijs was vervalst. Hij werd gearresteerd en naar de strafgevangenis in Scheveningen , het Oranjehotel, gebracht. Vier dagen na zijn arrestatie werd zijn tweede kind, dochter Janny Carolina geboren. Hij heeft haar nooit anders dan op foto’s gezien.

In het Oranjehotel werd ontdekt dat Alfred Joods was. Zes weken na zijn arrestatie is hij naar Westerbork overgebracht, waar hij verbleef tot september 1944. Vanuit Westerbork is hij op het laatste transport naar Auschwitz geplaatst. Vervolgens is hij naar het werkkamp Gusen gebracht, een satelliet kamp van Mauthausen, waar hij op 25 januari 1945 is aangekomen. Hij werd tewerkgesteld als automonteur. Volgens ooggetuigen is hij daar, ernstig verzwakt en met hongeroedeem, in april 1945 opgenomen in de ziekenbarak. Eén van de medegevangenen zou hem met een injectie uit zijn lijden hebben verlost.

Alfreds vrouw Tine en hun twee kinderen George en Janny overleefden de oorlog.